Looppiste

De looppiste, ook stadion genoemd naar het gelijknamige loopnummer en de gelijknamige afstandsmaat, was in de eerste eeuwen van de spelen een eenvoudige rechthoekige baan, die liep van west naar oost tussen twee lage hellingen binnen de muren van het heiligdom. Elk Grieks stadion was 600 voet lang. Omdat de voet echter nergens even lang was, verschilde ook de lengte van het stadion. Dat van Olympia was 192,28 meter.

Rond 350 v.Chr werd er een mooie nieuwe looppiste gebouwd, juist ten oosten van het heiligdom. De baan werd vlak gemaakt met een laag leem en daarop werd een dunne laag zand gestrooid. Begin en eind van de piste waren gemarkeerd door twee stenen drempels, waarin telkens twee evenwijdige lijnen waren gegrift.

Rondom de piste waren geen zitplaatsen. De toeschouwers stonden gewoon langs de kant op hellingen. Dit was oorspronkelijk het geval bij alle Griekse stadia, maar in de Romeinse tijd kregen de meeste stadia stenen zitplaatsen, en werd Olympia dus een buitenbeentje. Op deze manier was er wel meer plaats dan in stenen stadia: in Olympia konden 40.000 tot 45.000 toeschouwers naar de wedstrijden kijken. P130Alleen langs het oosten was de helling natuurlijk, de andere zijden waren kunstmatig opgehoogd. Opdat de toeschouwers alles konden zien, lagen de brede hellingen in het midden drie meter verder van elkaar dan langs de kant. Dit werd gekopieerd in het moderne olympische stadion van Athene.

In het stadion vonden niet alleen de loopnummers plaats, maar ook het discus- en speerwerpen, het verspringen en de gevechtssporten. De atleten traden het stadion binnen via een overdekte ingang.

 

© KU Leuven, 2012