Loting

In de verschillende wedrennen (zowel voor mensen als voor paarden), vertrok elke deelnemer vanuit zijn eigen baan. Deze banen werden verdeeld door loting. Dat ging als volgt: voor elke atleet staken de organisatoren één lot - kleine voorwerpen, bv. scherven met elk een verschillende letter of teken, bonen, etc. - in een urne; de urne werd geschut en elke atleet kreeg één lot toebedeeld, waarvan het opschrift naar één bepaalde baan verwees.

Ook tegen wie een atleet het moest opnemen in gevechtssporten werd bepaald door loting. Weer werden evenveel loten als er deelnemers waren in een urne te gestoken. Nu vormden de loten echter paren, bv. twee met de letter alpha, twee met de letter beta, enz. De atleten namen één voor één een lot uit de urne. Ieder kwam uit tegen de man die het overeenkomstige lot getrokken had. Als het aantal deelnemers voor de gevechtssporten oneven was, had één atleet geluk. Hij - de ‘ephedros’ of ‘bijzitter’ genoemd - mocht zonder te vechten door naar de volgende ronde. Voor de tweede ronde werd opnieuw geloot.

Tijdens de lotingsceremonie waren de atleten naakt. Op die manier kon men de kracht van de tegenstander reeds inschatten. Atleten die pech hadden en tegen een veel sterkere tegenstander uitgeloot werden, trokken zich vaak nog snel uit de wedstrijd terug. Liever forfait geven dan af te gaan of zwaar verwond te geraken. Hun tegenstanders mochten dan ook zo naar de volgende ronde.

© KU Leuven, 2012