Hardlopen

P058Hardlopen was de oudste en belangrijkste discipline van de spelen. Van 776 v.C. tot 728 v.C., was het stadion, een sprintnummer van ongeveer 180 m, ook de enige discipline. De overwinnaar van het stadion gaf zijn naam aan de olympiade waarin hij de overwinning behaalde.
Geleidelijk werden andere loopnummers toegevoegd. In Olympia werden na het stadion nog de diaulos, dit is twee maal de lengte van het stadion, de wapenloop en de dolichos, een lange afstandsloop, ingevoerd. In de Isthmische, Nemeïsche en Panathenaeïsche spelen kende men daarenboven de hippios, een afstand van vier stadia. De fakkelloop en de marathon waren geen Olympische disciplines.
De Griekse atleten specialiseerden zich, net als de moderne, in toenemende mate in één discipline. Sprinters waren vaak in staat om zowel het stadion als de diaulos te winnen, maar overwinningen in disciplines die meer verschilden waren zeldzaam. Philostratus beschrijft de ideale lichaamsbouw voor korte en lange afstandslopers.

P059De hardloopnummers werden naakt en blootvoets gelopen op de looppiste, ook stadion genoemd. De ondergrond bestond uit zand. Start en eindmeet werden oorspronkelijk gewoon aangeduid door twee rechte lijnen in het zand. Vanaf de vijfde eeuw v.C. werden permanente lijnen aangelegd met stenen drempels. Bij de start konden de atleten hun voeten plaatsen in twee parallelle groeven in de drempel. In sommige stadia, zoals in Delos en aan de Isthmos, werden de atleten tegengehouden door een gecompliceerd startmechanisme, waarbij een balkje op het startsignaal wegklapte.


Als de afstand langer was dan een stadion moesten de atleten op de looppiste draaien rond een keerpunt, een paal aan het einde van de looppiste. Het nemen van deze scherpe bocht van 180 graden was behoorlijk moeilijk. Wanneer verschillende atleten tegelijk bij het keerpunt kwamen, waren valpartijen en valse praktijken, zoals voor de paal draaien, niet altijd te vermijden.

 

© KU Leuven, 2012