Doping

De organisatie van de sportwereld in de Oudheid vertoonde nogal wat gelijkenissen met die van vandaag. Topatleten werden omringd door verzorgers en trainers. Dezen legden een strikt trainingsschema vast en bepaalden wat de atleet wel en niet mocht eten. Iedere trainer had zijn eigen opinie over wat de ideale voeding was en had een eigen gamma van wondermiddeltjes, bv. kruidendrankjes voor lopers tegen steken in de milt.

Daarnaast waren er ook oplapmiddeltjes voor verwondingen, die gevechtsporters in staat stelden snel weer aan de volgende ronde van de wedstrijd deel te nemen. Romeinse gladiatoren dronken as, aangelengd met water, tegen kneuzingen en tegen buikkrampen. Elke trainer beschouwde zichzelf een beetje als sportarts. Serieuze artsen zoals Galenus kloegen hun praktijken aan en vonden dat de atleten roofbouw pleegden op hun lichaam.

Echte doping (verboden prestatiebevorderende middelen) bestond niet, want geen enkel drankje of medicijn was verboden. De meeste planten met bestanddelen die werkelijk prestatiebevorderend werken, komen bovendien uit Zuid-Amerika en waren in de Oudheid nog niet gekend. Wel bestond er een verbod op zwarte magie. De atleten van vroeger, die nog bijgeloviger waren dan die van vandaag, probeerden immers hun tegenstanders te vervloeken om op die manier hun eigen kansen op de overwinning te vergroten.

© KU Leuven, 2012