Atletische naaktheid

P074Een opvallend kenmerk van de Griekse atletiek is dat de atleten naakt sportten. Het Griekse woord voor sport, 'gymnastiek', is trouwens afgeleid van het adjectief 'gymnos', wat 'naakt' of 'schaars gekleed' betekent. Het gebruik om naakt te sporten deed zijn intrede vanaf de zesde eeuw v.C. Daarvoor droeg men een lendendoek, zoals sumo-worstelaars vandaag. Thucydides en Plato zijn het erover eens dat het dragen van een lendendoek kort voor hun tijd (de vijfde eeuw v.C.) gestopt is. Op vazen uit de zesde eeuw worden atleten er soms nog mee afgebeeld.

Pausanias verklaart de gewoonte om naakt te sporten met het verhaal van Orsippos. Deze atleet uit Megara zou in 720 v.C. tijdens het lopen zijn lendendoek zijn verloren en op die manier het stadion hebben gewonnen. De andere atleten zouden hem gevolgd zijn.

Moderne antropologen menen dat atletische naaktheid een overblijfsel is van oude jachtrituelen. De jagers droegen geen of weinig kleren om zo weinig mogelijk geur te verspreiden, die in kleren kon blijven zitten. Omdat deze manier van jagen succes had, bleef ze bestaan als ritueel in de atletiek. In elk geval had naaktheid bij de Grieken geen negatieve connotatie.

P231In het oude Nabije Oosten was naaktheid een teken van nederlaag en schande, want zo werden gevangenen rondgevoerd in de triomftocht van de koning. Ook voor de Romeinen was publieke naaktheid aanstootgevend. Een man van stand kon zich niet naakt vertonen voor publiek, tenzij in het badhuis.

De Grieken waren daarentegen trots op de schoonheid en kracht van hun naakte lichaam. Ze vonden publieke naaktheid een manier om hun superioriteit tegenover andere volkeren te tonen. Deze superioriteit ligt volgens sommigen in het ideaal van de zelfbeheersing: het gymnasion werd gezien als een bron van seksuele opwinding voor de atleten zelf. Door zelfcontrole konden zij er ook naakt kalm en evenwichtig uitzien. Om een dergelijke zelfcontrole af te dwingen, bonden sommige atleten hun geslachtsdelen vast tijdens het sporten. Dit gebruik wordt infibulatie genoemd.

© KU Leuven, 2012