Sport en opvoeding

Hoewel competitieve sportbeoefening natuurlijk voor de toptalenten was voorbehouden, maakte sport ook deel uit van het dagelijks leven van vele minder getalenteerde Grieken. Zij waren niet alleen passieve toeschouwers, maar ook actieve beoefenaars. Vele Grieken gingen in hun vrije tijd trainen in het gymnasion. Dit begon al van jongsaf.

De Griekse opvoeding (paideia) probeerde jongens op te leiden tot complete volwassenen. Sommige jongens gingen vanaf een jaar of zeven langs bij drie verschillende leraars: één voor hun intellectuele opleiding (voornamelijk lezen en schrijven), één voor hun culturele opleiding (muziek spelen) en één voor hun sportieve opleiding (atletiek). Doordat ze al van jongsaf in een leer gingen bij een trainer, konden sportieve talenten al vanaf hun twaalfde deelnemen aan de Olympische spelen, in de leeftijdscategorie van de jongens. Meisjes kregen over het algemeen niet zo’n complete opvoeding. Behalve in Sparta kwamen zij veel minder in aanraking met sport.

Ook bij tieners had sport nog een belangrijke plaats in de opvoeding. In de vierde eeuw v.C. ontwikkelde de stad Athene een programma waarbij jongens van achttien door de staat werden opgeleid. Dit programma, de ‘ephebie’ genaamd, had in de eerste plaats een militair accent. Vanaf de derde eeuw v.C. verspreidde dit programma zich echter in gewijzigde vorm over het ganse Griekse oosten (Griekenland, het huidige Turkije en Midden-Oosten, Egypte). Vanaf dan lag de nadruk veel meer op atletiek. Er waren onder andere wedstrijden speciaal voor epheben, d.w.z. voor de jongens die dit programma volgden. Daarnaast namen de epheben als groep deel aan processies bij stedelijke feesten.
Met het oog op een latere carrière of beroep, was de ephebie niet bijzonder nuttig. Slechts enkele van deze jongens werden immers professioneel atleet. Toch was de ephebie behoorlijk populair van de derde eeuw v.C. tot en met de derde eeuw n.C., vooral bij de hogere klassen. Men vond immers dat toekomstige burgers door middel van dit programma de juiste waarden ontwikkelden: door hard te trainen leerden de jongens volharding, door tegen elkaar te strijden werd hun competiviteit aangewakkerd en door samen in processies te wandelen versterkte hun loyauteit aan de vaderstad.

© KU Leuven, 2012