Lucillius' kritiek op de atletiek

Lucillius is een satirisch dichter, die schreef ten tijde van keizer Nero (midden van de eerste eeuw n.C.). Hij tast de grenzen van realiteit en idealisme af en daagt ze uit. In enkele van zijn epigrammen maakt Lucillius komaf met de idealen van de Griekse atletiek: de atletische schoonheid, roem, en de associaties tussen atleten en het leger. Als kers op de taart doet hij dit in het Dorisch, het dialect waarin Pindarus juist atleten verheerlijkte.

In deze spotgedichtjes, drijft Lucillius de kloof tussen atletische idealen en de atletische realiteit op tot een absurde grens: hij gebruikt de formules voor de roemrijke winner voor een archetypische loser. Bv.:

"Aan elke bokswedstrijd die de Grieken organiseren,
heb ik, Androleos, deelgenomen.
In Pisa hield ik nog één oor over, in Plataia nog één wenkbrauw.
In Delphi werd ik knock-out afgevoerd.
Mijn vader Damoteles en de medeburgers werden opgeroepen door de heraut
om mij het stadion uit te dragen, dood of verminkt."

Grieks

Lucillius parodieert in dit epigram over de atleet Androleos vooreerst de formules uit de ereinscripties voor atleten. De veelvoorkomende zin "in alle competities waar ik me heb ingeschreven, heb ik de overwinning behaald” wordt hier "ik heb aan ALLE wedstrijden DEELGENOMEN". De lezer verwacht nu zoals in de inscripties een lijst met het aantal overwinningen in de grote spelen, bv. één keer de Olympische spelen, twee keer de Isthmische spelen, ... , maar in plaats van overwinningen laat de bokser Androleos in elke wedstrijd een lichaamsdeel achter. Ook het ideaal van 'de overwinning of de dood' wordt geparodieerd: in tegenstelling tot atleten als Arrichion, die roem vonden in hun dood, wordt Androleos roemloos halfdood weggedragen uit het stadion van Delphi. Bovendien was de proclamatie van de atleet, waarbij zijn vader en zijn stad delen in de atletische roem, normaal een moment van immense vreugde en prestige. Hier wordt de proclamatie een pijnlijk moment van onoverkomelijke schande.

Andere epigrammen: Anth. Pal. XI 258 & XI 5

© KU Leuven, 2012