|
||||||
| Amateurisme
In de tweede helft van de negentiende eeuw vonden de sportieve Engelse gentlemen dat men 'amateur' moest zijn om aan belangrijke sportwedstrijden deel te nemen. Aanvankelijk bedoelden ze hiermee een verschil in klasse: mensen van de hoogste klassen waren 'amateurs', handwerklieden waren 'professionals'. Op het einde van de eeuw ging men dit nuanceren: een 'amateur' was iemand die geen geld verdiende met zijn sport. Over de juiste definitie bleef discussie: Mag een amateur deelnemen aan wedstrijden waaraan ook professionals deelnemen? Kan iemand amateur zijn in de ene sport en professional in een andere? Is een sportleraar een professional? Mag de sportclub de reisonkosten van een atleet betalen?
Het IOC beriep zich voor deze beslissing op de Oudheid: ook de Griekse atleten waren amateurs, die enkel een krans kregen voor hun Olympische overwinning. Verschillende historici, zoals Mahaffy, Gardner en de zeer invloedrijke Gardiner, beschouwden de klassieke Griekse atleten als ware amateurs. De Hellenistische en Romeinse tijd, toen professionalisme op de voorgrond trad, beschouwden ze als een periode van verval, hoewel er op dit moment veel intensiever aan sport werd gedaan dan hiervoor. Omdat deze geleerden zelf grote voorstanders van het moderne amateurisme waren, schreven ze dit ideaal dus ook toe aan de oude Grieken. Vandaag beschouwen historici Griekse atleten niet meer als amateurs. Vele atleten waren wel aristocraten, maar haalden hun neus niet op voor waardevolle prijzen op de spelen of rijkelijke beloningen bij hun thuiskomst. |
||||||