De Olympische vlam

Enkele maanden voor de moderne Olympische spelen van start gaan, wordt in de ruïnes van het oude Olympia de Olympische vlam aangestoken. In deze plechtige ceremonie, uitgevoerd door elf vrouwen, worden de stralen van de zon opgevangen in een parabolische spiegel, waardoor de toorts gaat branden. Vanuit Olympia wordt de vlam door middel van een estafetteloop getransporteerd naar de stad waar de spelen zullen plaatsvinden, veelal door lopers, maar soms worden ook minder conventionele vervoermiddelen gebruikt. In 2000 werd de vlam zelfs onder water vervoerd door duikers. Tijdens de openingsceremonie komt de vlam aan in het Olympische stadion en pas na de spelen wordt ze gedoofd.

Het idee van de Olympische vlam dateert uit 1928, toen de Nederlandse architect Jan Wils een toren ontwierp waarin tijdens de spelen in Amsterdam onafgebroken een vlam kon branden. De bijhorende ceremonie werd uitgewerkt door Carl Diem, sporthistoricus en organisator van de Olympische spelen van 1936 in Berlijn.

Deze ceremonie vormde geen deel van de oude Olympische spelen, maar is wel geïnspireerd op oud-Griekse gebruiken. In de Griekse heiligdommen werd op het altaar continu een heilig vuur brandend gehouden. In sommige steden werd een fakkelloop gehouden waarbij lopers het heilige vuur van het ene altaar naar het andere brachten. Dit was geen wedstrijd op de Olympische spelen, maar wel op de Panathenaeën. Plutarchus schrijft dat, wanneer het heilige vuur door een ongeluk toch gedoofd was, dit niet met een andere vlam weer aangestoken mocht worden, maar dat men met spiegels een nieuwe, zuivere vlam moest creëren. Hierop baseerde Diem zich bij het ontwerpen van de ceremonie.

© KU Leuven, 2012