Philostratus, Gymnasticus 32-33

Philostratus beschrijft de ideale lichaamsbouw voor lopers:

Om een heel goede dolichos-loper te zijn, moet men ongeveer even sterke schouders en een bijna even sterke nek hebben als een pentatleet, maar hij moet smalle en lichte benen hebben als de stadionloper. Dezen brengen met hun handen hun benen tot de sprint, alsof hun handen hen vleugels geven. Dolichoslopers doen dit enkel tijdens de eindsprint, de rest van de tijd is het bijna alsof ze schrijden, met hun handen in een vuist, waardoor ze sterkere schouders nodig hebben.
...
Als stadionlopers - dat is de lichtste discipline - zijn geproportioneerde mensen zeer geschikt, beter nog zijn lange mensen, niet de erg lange, maar zij die net iets langer zijn dan de geproportioneerde mensen, want een overdreven lengte zorgt voor een gebrek aan stabiliteit, zoals bij hoog opgeschoten planten. Ze moeten stevig gebouwd zijn, want het begin van een goede sprint is een goede stand. De verhoudingen van hun lichaam moeten als volgt zijn: de benen moeten in evenwicht zijn met de schouders, de borstkas kleiner dan de middelmaat en met gezonde ingewanden, ze moeten snelle knieën hebben, rechte schenen en handen groter dan de middelmaat. Ze moeten proportioneel gespierd zijn, want bovenmatige spieren zijn als boeien voor de snelheid.
De deelnemers aan de diaulos moeten sterker gebouwd zijn dan stadionlopers, maar lichter dan de deelnemers aan de wapenrace.

Grieks

© KU Leuven, 2012