Plutarchus, Alcibiades 11

Plutarchus (ca. 46-127 n.C.) schreef een biografie van Alkibiades. Voor zijn informatie over diens Olympische overwinning in 416 v.C. baseerde hij zich op Euripides en Thucydides, twee tijdgenoten van Alkibiades.

Over zijn (Alkibiades’) renstal werd overal gesproken, ook omwille van het grote aantal vierspannen. Niemand anders, burger en koning, heeft er ooit zeven naar Olympia gezonden, alleen hij. De overwinning behalen en tweede worden en vierde - zo zegt Thucydides het, Euripides spreekt over de derde plaats - overtreft in schittering en glorie al wat men in dit domein ooit ambieerde. Euripides zegt in zijn loflied het volgende:  “U zal ik bezingen, zoon van Kleinias. Mooi is de overwinning. Maar het mooiste is - niemand onder de Grieken viel dit ooit te beurt - in de wagenrennen eerste, tweede en derde worden en dat moeiteloos klaar te spelen, en, bekroond met de olijfkrans van Zeus, deze overwinningen te laten proclameren door de omroeper.” 

Grieks

© KU Leuven, 2012