De Coubertin, Olympic Memoirs*, p. 135

Het geheel van morele waarden bij de sportbeleving noemde de Coubertin de ‘religie van de atleten’.

Het is helemaal verkeerd om antiek Olympisme te verheerlijken tot over de grenzen van de waarschijnlijkheid heen door het te zien vanuit een esthetisch oogpunt en om het dan te bekritiseren voor zijn tendens om ‘beroepssporters’ te creëren. Evenzo mag men voor het neo-Olympism, niet alleen de internationale rivaliteit, die het opwekt, of het commercialisme, waaruit al zijn inkomsten moet ontvangen, in ogenschouw nemen. Toegepast op de oude spelen hebben de termen ‘beroepssporter’ en ‘amateur’ geen enkele betekenis. Wat vergelijkbaar is voor de twee periodes vanuit het Olympische oogpunt is eenzelfde religieuze geest, die in feite ook in de Middeleeuwen een tijdlang aan de oppervlakte kwam bij jonge atleten. Religio athletae: de antieken begrepen de betekenis van deze woorden, de modernen bevatten het nog niet. Ik voel echter dat ze het beginnen te vatten.

* Naar de Engelse vertaling uit 1989 (eerste uitgave: 1931). Engels

© KU Leuven, 2012